De Weerribben

De Weerribben
Vanaf de stichting van Kalenberg in de middeleeuwen tot kort na de Tweede Wereldoorlog werd er in dit gebied turf gewonnen. Nadat het turf gestoken was, moest dit drogen op de zogenaamde “ribben”, smalle stroken land die met opzet hiervoor gespaard werden (legakkers). Soms sloegen deze ribben weg bij slecht weer of doorbraken van de zee, zo ontstonden de Wieden.

Naarmate uit het vergraven veen steeds grotere watervlakten ontstonden ging men over op de visserij, en nadat die verland raakten, ook op de rietteelt. Veel bewoners van de streek waren vanouds zowel boer als visser en rietsnijder. Toen in 1919 een gemaal gebouwd was begon een proces van verdroging. Dit proces werd versterkt door de inpoldering van de Noordoostpolder.

Vanaf de jaren dertig werden grote gebieden langs het Steenwijkerdiep drooggelegd en tot gras- en bouwlanden ontgonnen, zodat de Weerribben en de Wieden gescheiden raakten. Tussen de zo ontstane polders als Halfweg, Gelderingen en Giethoorn werd het nieuwe dorp Scheerwolde gebouwd. De ontginning van de polders Wetering-Oost en Wetering-West bleef onvoltooid, waardoor ten noorden van Scheerwolde op drooggelegde, maar niet ontgonnen grond het Woldlakebos kon ontstaan.

Rietteelt
Nog ca. 1000 ha van het gebied wordt benut voor de teelt van dekriet. Het Kalenberger dekriet genoot van oudsher een zekere faam. Rietlanden worden vaak nog door kleine particuliere ondernemers uit de dorpen Kalenberg en Ossenzijl uitgebaat voor de productie van dekriet. Het beheer van rietlanden in de Weerribben kent een aantal eigenaardige problemen. Rietlanden ontstaan hier gewoonlijk uit een zich over een heel trekgat of ‘weer’ uitbreidende rietkraag of Kragge, die drijft op het water.

Wanneer er geen beheer plaatsvindt, verruigt een rietland en maakt plaats voor moerasbos van berken, lijsterbes en elzen. Wanneer het Rietland vele jaren telkens wordt gemaaid, wordt de kragge alsmaar dikker en raakt de begroeiing daarmee afgesneden van het water, met verzuring als gevolg. Een perceel kan dus op twee manieren verloren gaan voor de rietteelt.

Riettelers plegen de verzuring tegen te gaan met kleine watermolentjes (zie afbeelding). Daarmee brengt men water boven op de rietkragge, die daardoor minder snel verzuurt en langer productief blijft.

Op den duur echter is het verlandingsproces niet te stuiten en ontstaan ofwel veenheiden, ofwel moerasbossen. Staatsbosbeheer is ertoe overgegaan om bepaalde gedeelten, die zich na geheel te zijn verruigd tot moerasbos hadden ontwikkeld, open te laten graven om de successie opnieuw te laten beginnen.

Flora
De Weerribben vormen een laagveengebied en kennen als zodanig in grote lijnen drie begroeiingstypen: open water en verlandingsvegetaties, rietlanden en moerasbossen. In het open water drijven vaak massa’s blaasjeskruid, een vleesetend plantje. De verlandingsvegetaties omvatten zowel “kraggen” van riet en lisdodde, die zich vormen vanaf de randen van het water, als drijftillen die zich ook midden in het water kunnen vormen uit drijvende soorten als krabbenscheer, waterlelie gele plomp en waterscheerling. Rietland wordt vaak opgefleurd door kleurige ruigtkruiden zoals wilgenroosje, winde, glidkruid en moerasandoorn. Verzurend rietland (zie: beheer) gaat eerst ‘hol staan’ om later plaats te maken voor grassen en uiteindelijk over te gaan in hoogveenachtige begroeiingen met soorten als dopheide, veenmossen, veenpluis, zonnedauw, en moeraskartelblad. De bossen bestaan hoofdzakelijk uit elzen en lijsterbes langs de waterkanten en op verruigde plekken, in verzuurde gebieden ziet men ook berken. In oude kooibossen zoals rond de Kooi van Pen overheerst soms de Es.

Fauna
In het gebied komen de purperreiger, zwarte stern, roerdomp en moerasvogels als de karekiet, snor, rietzanger en wielewaal voor. Zoogdieren als ree, vos en Europese otter vinden hier ook hun levensruimte. Daarnaast komt in het gebied de grote vuurvlinder voor, in een speciale ondersoort batava en tal van andere vlinders.

Voor libellen is het waterrijke gebied een goed biotoop: De donkere waterjuffer komt alleen maar hier voor, de noordse winterjuffer en sierlijke witsnuitlibel hebben hier hun belangrijkste populaties terwijl in 2013 populaties van de kempense heidelibel zijn aangetroffen. Daarnaast komen hier belangrijke populaties van de groene glazenmaker, de gevlekte witsnuitlibel en de gevlekte glanslibel voor. In totaal zijn driekwart van de Nederlandse libellensoorten (50 van de 68) hier waargenomen.

De otter
In 2002 is begonnen met de herintroductie van de otter. Er is nu een aantal dieren dat hun territorium in de Weerribben heeft. Een aantal dieren wordt buiten de Weerribben gesignaleerd.

Zie hieronder de otter, foto genomen 15 juli 2018 Kalenberg